opmerkingen? print deze pagina search
home
20.07.2010 » Eén stressfractuur bederft de zomer niet

Beste Vrienden,

Sommigen zeggen dat ik met mijn 6 stressfracturen goed op weg ben voor het Guinness Book of Records, anderen vragen mij ondertussen wel eens of het went. Wereldrecords laten mij niet koud, maar ik ben toch liefst van al ‘fit en gezond’. Het zou dus een slecht teken zijn indien ik gewend zou raken aan ‘onfit’ te zijn, indien het mij niets meer doet telkens mijn kwetsbaarheid onder mijn neus gewreven wordt. Het zou ongezond zijn als je ongezond-zijn ‘aanvaardt’. Maar vermoedelijk – en hoe hard het soms ook allemaal mag aankomen – net zoals een wielrenner zich sneller leert heenzetten over valpartijen en een politicus leert omgaan met kritiek, zo is het volgens mij ook mogelijk om je als mens een beetje te ‘trainen’ in het verwerken van ‘tegenslag’ – om tegenslag bijna reflexmatig als opportuniteit te interpreteren ('to embrace failure’), om tegenslag niet als tegenslag te beschouwen (want dan wordt het pas echt Tegenslag), om een knopje om te draaien wanneer je (A-)plannen gedwarsboomd worden, om bijna ogenblikkelijk B-plannen te smeden, om te ‘overleven’.

nieuws img


Het staat mij nog levendig voor de geest hoe mijn wereld een tiental jaar geleden werkelijk instortte op het ogenblik dat ik besefte opnieuw met een stressfractuur te zitten. Dit jaar heb ik welgeteld één dag nodig gehad om het te verwerken. Er zijn in al die jaren natuurlijk een aantal dingen veranderd die het aanvaardingsproces ongetwijfeld bevorderen:
- Een mens wordt ouder, en leert daardoor àlles een beetje relativeren;
- Op sportief vlak heb ik reeds enkele fantastische jaren mogen beleven, en zeker en vast ook al wel ‘mijn part’ gehad;
- Stressfracturen worden ook door de sportgeneeskunde steeds meer als ‘gewone blessures’ beschouwd, waarbij de herstelperiode ondertussen ook flink is ingekort geworden, en waarbij ‘pijn’ evenzeer geldt als raadgever.

Een stressfractuur is van een heel andere aard dan een 'gewone' fractuur die bijvoorbeeld het gevolg is van onder een auto te lopen. Zo is een stressfractuur (meestal) niet te zien op een röntgenfoto, maar slechts d.m.v. botscintigrafie. Een stressfractuur ontstaat geleidelijkaan, en zo zijn mijn laatste twee blessures ‘partiële fracturen’. Daar staat echter tegenover dat een stressfractuur zich wel meestal ‘van het ene op het andere moment’ manifesteert o.v.v. pijn: ikzelf heb geen enkele stressfractuur voelen aankomen. Ineens was die daar. Vermoedelijk neemt de ‘fractuur’ op een gegeven moment een proportie aan die dan pas met ‘pijn’ correspondeert.

nieuws img


Indien de genezing naar wens verloopt zou ik mijn eerste looppasjes na een zestal weken opnieuw mogen zetten: dat zou dus ‘halfoogst’ betekenen. Naar alle waarschijnlijkheid doe ik daar toch nog 2 weken bij. Ik verkies immers van deze uitzonderlijk mooie zomer toch nog wat te profiteren op mijn koersfiets, en hoewel mij dit niet verboden is, voel ik daarbij meestal toch nog wat pijn: ik kan mij dus best voorstellen dat ik met dat fietsen de heling vertraag, maar ik heb het steeds op deze manier gedaan en ik weet dus ook zeker dat ik mij daarmee geen irreversibele schade op de hals haal. Bovendien zullen die 2 extra weken loopstop toch ook geen verschil maken i.v.m. de verdere kalender. Jawel, zelfs geblesseerde mannen maken nog steeds plannen:
- Als ik mijn zwemlicentie nog tijdig geregeld krijg (en die kans is ondertussen reëel) ga ik voor een herkansing op de 10.000 meter open water: i.t.t. 2 jaar geleden, waarin ik na 6 km wegens dreigende onderkoeling de strijd staakte, is het deze zomer al héét geweest, en hopelijk voor de watertemperatuur blijft dit nog een maandje duren !
- Al dan niet in de aanloop ervan, en in elk geval een week voor de 10.000 meter, ga ik me nog ’s uitleven in Damme-Brugge (al zal het dan wel jammer genoeg zonder de ghost writer van weleer moeten zijn).
- Een najaarsmarathon is mij ontraden, tenzij ik ‘de dubbel’ voor het Guinness Book of Records (7 stressfracturen in totaal en 2 stressfracturen op 1 jaar) echt wil halen; een halve marathon van vb. Eindhoven, of ginder de eerste 20 km ‘hazen’ voor mijn kameraad Filip Detiège, behoort nog tot de mogelijkheden; de sprinttriatlon van eind september in Lille kan me normaalgezien wel niet meer ontglippen: van dat kortere werk zie ik me overigens de komende jaren wel weer vaker wat doen…

“En hoe zit dat dan met je ultra-plannen op langere termijn?”, hoor ik u al vragen. Welnu, ik heb me nooit te beroerd gevoeld om op mijn stappen terug te keren, en nog voor ik wist dat ik met ‘nummer 6’ zat, was ik al aan het terugkomen van mijn 100 km-plan voor dit najaar. Laat mij het er voorlopig op houden dat ik me toch vragen stel over het (musculoskeletale) gezondheidsgehalte van dergelijke al-bij-al extreme loopafstanden. ‘Nummer 6’ heeft me ook wel duidelijk gemaakt dat een Spartathlon waarschijnlijk voor een volgend leven van Karel Pardaens is. Als dit echter de enige handicap is waarmee ik door het leven moet, dan neem ik daarmee vrede (en mijn omgeving waarschijnlijk ook).

nieuws img


Ook de langere-afstandstriatlons (alles wat langer is dan een halve triatlon) hou ik waarschijnlijk voor bekeken, gewoonweg omdat ik er in meerdere opzichten weinig voldoening aan beleef. Enkele jaren geleden dacht ik dat ik mijn beste tijd op de kwarttriatlon gehad had (en dat denk ik nog steeds), maar langs de andere kant had ik nog in geen enkele langere-afstandstriatlon gepresteerd in verhouding tot mijn kwarttriatlons: ik voelde dus de nood om mijn grenzen een beetje te verleggen. Met name in het fietsen heb ik dat ook gedaan: ik heb me systematisch toegelegd op lange duurtrainingen en dat heeft gerendeerd. Ik ben ‘de man met de hamer’ keer op keer gaan zoéken op training, tot ik hem zo goed kende, en hij mij, dat ik hem de laatste jaren ook niet meer ben tegengekomen, niet op training en niet op wedstrijd. Maar fietsen blijkt voor mij toch nog altijd het zwakste broertje van de 3 disciplines te zijn, en wil het nu juist zo zijn dat het belang van het fietsen toeneemt naarmate de afstand van de triatlon toeneemt: ik verlies teveel terrein om het nog goed te kunnen maken in het lopen. Los van de prestaties brengt een lange-afstandstriatlon alleen maar ‘stress’ met zich mee: het bederft het trainingsplezier in de week ervoor (geen deftige tapering-off wordt cash betaald op de dag van de wedstrijd) en in de week erna (wegens perte totale). Van kortere triatlons doe je er desnoods elke week een andere, dus geen probleem als het eens tegenslaat. Voor de langere afstanden moet je dus een beetje gokken op ‘alles of niks’, en het wordt des te belangrijker om niks aan het toeval over te laten: met name je materiaal moet deftig in orde staan, en daarvoor rondlopen durft er wel eens teveel aan worden als je beroepshalve ook al goed weet wat doen.

Zoals het er nu naar uitziet, beschouw ik mijn uitstapje naar het lange-afstandswerk dus als voorbij, maar ik merk wel dat de liefde voor het triatlon toch ook nog niet bekoeld is. Misschien was ze een beetje bekoeld door het lange-afstandswerk dat mijn enthousiasme toch nooit écht heeft kunnen opwekken, maar het kortere werk trekt mij terug aan. Mijn zesde zintuig zegt me om me terug te keren naar de oude liefde.

Hij die zich nu éénmaal een beetje moet kunnen uitleven groet u.



 

Bookmark and Share

 

naar boven


e-visible {new media solutions}